Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest van 18 juni 2026 (nr. 73/2026) vastgesteld dat de 51/5, 51/8, 51/10, 57/1, § 3, eerste lid, 57/5ter, § 1, 57/6/7, § 4, eerste lid, en 57/24, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, een schending vormen van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 3, van de Algemene Verordening gegevensbescherming (AVG) en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij een persoonlijk onderhoud per videoconferentie toestaan, en niet voorzien in de vermelding van de gebruikte metagegevens en de doeleinden ervan, niet preciseren welke categorieën van personen toegang hebben tot de metagegevens en niet voorzien in een bewaartermijn.