Wettelijk kader
- De vluchtelingenstatus wordt in België erkend op basis van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951.
Het Verdrag van Genève definieert een vluchteling als elke persoon «die, […] uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen […]. » - De asielprocedure en de bevoegdheden van de asielinstanties worden geregeld door de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Deze wet werd gewijzigd door de Wet van 15 september 2006.
Deze wet voert de huidige nieuwe asielprocedure in, die in werking trad op 1 juni 2007.
De wet bevat eveneens bepalingen betreffende de subsidiaire bescherming, die van toepassing zijn sinds 10 oktober 2006.
«De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen humanitair verblijf om medische redenen kan genieten, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst […] terugkeert, hij een reëel risico zou lopen op ernstige schade […].
Ernstige schade bestaat uit:
- doodstraf of executie, of,
- foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of,
- ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.»
Verdrag van Genève van 28 juli 1951 (PDF, 179.13 Kb)
Wet van 15 december 1980 (PDF, 383.84 Kb)
